Ezechiel 36, 37
De vallei van dode en levende beenderen
1. De context.
A. Ezechiel 35- 37.
Zoals met alle dingen in de Bijbel kijken we naar de context om te
te zien of dit aanwijzingen geeft.
Als we dan in de allereerste plaats kijken naar de grotere context
van het boek van Ezechiel en de tijd waarin dat zichzelf afspeelt
zien we het volgende:
Eze 1:1 In het
dertigste jaar, in de vierde maand, op den vijfden derzelve maand,
als ik in het midden der weggevoerden was bij de rivier Chebar, zo
geschiedde het, dat de hemelen werden geopend, en ik gezichten Gods
zag.
Eze 33:21 En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke
wegvoering, in de tiende maand, op den vijfden der maand, dat er een
tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is
geslagen.
Eze 40:1 In het vijf
en twintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering, in het begin des
jaars, op den tienden der maand, in het veertiende jaar, nadat de
stad geslagen was; even op dienzelfden dag, was de hand des HEEREN
op mij, en Hij bracht mij derwaarts.
Deze
drie teksten geven aan dat de tijd in welke Ezechiel profeteerde was
gedurende de wegvoering. Al deze teksten geven aan dat het zichzelf
afspeelt tijdens de gevangenschap van het volk van Israel.
De Israelieten waren weggevoerd uit Israel. Dit als een resultaat
van hun zonde.
God had dit voorspelt:
Deu
28:64 En de HEERE zal u verstrooien onder alle volken, van het ene
einde der aarde tot aan het andere einde der aarde; en aldaar zult
gij andere goden dienen, die gij niet gekend hebt, noch uw vaders,
hout en steen.
Deu 28:65 Daartoe zult gij onder dezelve volken niet stil zijn,
en uw voetzool zal geen rust hebben; want de HEERE zal u aldaar een
bevend hart geven, en bezwijking der ogen, en mattigheid der ziel.
Deu 28:66 En uw leven zal tegenover u hangen; en gij zult nacht
en dag schrikken, en gij zult van uw leven niet zeker zijn.
Deu 28:67 Des morgens zult gij zeggen: Och, dat het avond ware;
en des avonds zult gij zeggen: Och, dat het morgen ware; vermits den
schrik uws harten, waarmede gij zult verschrikt zijn, en vermits het
gezicht uwer ogen, dat gij zien zult.
Deu 28:68 En de HEERE zal u naar Egypte doen wederkeren in
schepen, door een weg, waarvan ik u gezegd heb: Gij zult dien niet
meer zien; en aldaar zult gij u aan uw vijanden willen verkopen tot
dienstknechten en tot dienstmaagden; maar er zal geen koper zijn.
|
En de HEERE zal u
verstrooien onder alle volken, van het ene einde der aarde
tot aan het andere einde der aarde;
|
God heeft geprofeteerd door Mozes dat als het volk van Israel Hem
niet zou gehoorzamen dat ze weggevoerd zouden worden.
Dit is precies datgene dat gebeurd is. En dat is ook dan het
tijdselement waarin dit boek is geschreven.
Ook de hoofdstukken die we willen overdenken vallen in datzelfde
tijdselement. Laat ons dat meenemen als de de betekenis zoeken van
de verzen uit die hoofdstukken.
B.
Deut. 30
Verder lezen we ook in Deut. 30 dat God het volk zou laten
terugkomen vanuit hun ballingschap,
(Deut. 30: 1- 10)
God heeft daar beloofd dat als de Israelieten zichzelf zouden
bekeren dat hij hen terug zou brengen in het land. (v. 2, 10)
Deut 30:2 En gij zult u bekeren tot den HEERE, uw God, en Zijner
stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, gij en uw
kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.
God zou hen terugbrengen, hij zou hen opnieuw brengen in het
land vloeiende van melk en honing.
God zou hen besnijden ( de ware besnijdenis van het hart) en hij
zou hen zegenen boven alles.
Het eerste gedeelte van dit hoofdstuk (1-10) staat in het teken
van de terugkomst uit ballingschap. Iets dat we ook daadwerkelijk
zien gebeuren in de geschiedenis van het volk van Israel.
|
Het eerste gedeelte van
dit hoofdstuk (1-10) staat in het teken van de terugkomst
uit ballingschap. Een wezenlijke gebeurtenis voor het
overblijfsel van het volk van Israel.
|
Dit is het centrale thema van deze verzen. Ze zouden weggevoerd
worden, maar ze zouden weer terugkomen in het land en ze zouden
welvarend zijn.
Dit zien we dan ook voltrokken worden als we de boeken Ezra en
Nehemia lezen. Deze boeken gaan over de terugkomst van het
overblijfsel in naar het land van Israel.
2. Contrast tussen Edom en Israel.
Als we hoofdstuk 35 erin betrekken zien we iets opmerkelijks.
Als we beiden hoofdstukken (35, 36) lezen zien we dat er een
contrast word gemaakt tussen Edom en Israel, we mogen ook lezen Esau
en Jacob.
Hier vinden we ook gedeeltelijk de betekenis van de woorden uit
Exodus dat God Esau gehaat had en dat Jacob geliefd was. Dit ging
niet zozeer over hen als persoon maar Gods verkiezing van Israel
over Edom.
In hoofdstuk 35 lezen we dat het land van Seir getroffen zou worden
door de hand van God.
Eze 35:3 En zeg tot hetzelve: Alzo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik
wil aan u, o gebergte Seir! en Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken,
en zal u stellen tot een verwoesting en een strik.
Seir staat symbool voor Edom. Seir was één van de twee
belangrijkste steden van Edom. Seir was de naam van een bergrug (v.
7), vanwege deze lokatie, waardoor de Edomieten dachten dat ze nooit
konden veroverd worden, maar wie is er sterker dan de Here zelf.
Zie ook het boek van Obadja, dit boek schrijft over de verwoesting
van Edom. Dit zou over dit volk komen.
Verder zien we ook de redenen waarom God dit volk zou gaan
verwoesten: (v. 5)
A. Omdat zij een eeuwige vijandschap hadden gekoesterd tegen Israel.
B. Omdat zij de Israelieten hadden overgeleverd aan het zwaard.
Het zou een totale verwoesting worden:
Eze 35:9 Tot eeuwige verwoestingen zal Ik u stellen, en uw steden
zullen niet bewoond worden;
alzo zult gij weten, dat Ik de HEERE ben.
De Edomieten dachten dat ze beide
volken en beide landen (10, 11) zouden kunnen veroveren.
Maar God was daar om dit te behoeden. (De beschrijving "beide" staat
voor Juda en Israel. Na het koningschap van Salomo werd het land van
Israel verdeeld)
Als we dit alles vergelijken met de woorden uit hoofdstuk 36 zien we
dat het overblijfsel gezegend zou worden met een terugkeer naar het
land.
Vers 8-10:
Eze 36:8
Maar gij, o bergen Israels! gij zult weder uw takken geven, en uw
vrucht voor Mijn volk Israel dragen, want zij naderen te komen.
Eze 36:9 Want ziet, Ik ben bij u, en Ik zal u aanzien, en
gij zult gebouwd en bezaaid worden.
Eze 36:10 En Ik zal mensen op u vermenigvuldigen, het
ganse huis Israels, ja, dat geheel; en de steden zullen bewoond, en
de eenzame plaatsen bebouwd worden.
Eze 36:11 Ja, Ik zal mensen en beesten op u
vermenigvuldigen, en zij zullen vermenigvuldigd worden en vruchtbaar
zijn; en Ik zal u doen bewonen, als in uw vorige tijden, ja, Ik zal
het beter maken dan in uw beginselen; en gij zult weten, dat Ik de
HEERE ben.
Vers 28:
Eze 36:28 En gij zult wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven
heb, en gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God
zijn.
Dit alles laat ons zien dat Edom totaal verwoest zou
worden en het overblijfsel zou terugkeren naar het land van Israel
om daar te wonen. Te wonen als voorheen. Dit is de belofte van God
die Hij geeft door Ezechiel Zijn profeet.
|
Dit alles laat ons zien
dat Edom totaal verwoest zou worden en het overblijfsel zou
terugkeren naar het land van Israel om daar te wonen. Te
wonen als voorheen.
|
De grote God en Vader zou dit alles teweegbrengen.
En dit alles tot Zijn glorie en eer.
Zijn heilige naam was geschonden, maar dit alles zou hersteld worden
als de volken rondom zouden zien dat God Zijn eigen volk terugbracht
in het land. Ze zouden verstomd wezen.
Het volk en God zouden weer samen zijn. Samen in gemeenschap met
Hem, die het leven is.
3. Hoofstuk 36. Het land word
opnieuw bewoond.
In hoofdstuk 36 vinden we een aantal belangrijke dingen.
In vers 35 van dit hoofdstuk zien we de woorden:
Eze 36:35 En zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is
geworden als een hof van Eden; en de eenzame, en de verwoeste en
verstoorde steden zijn vast en bewoond.
Ezechiel profeteerde dat het ze weer zouden terugkeren vanuit
hun ballingschap en dat het land van Israel weer zou worden als
Eden.
De vergelijking word hier gemaakt met de hof van Eden zoals God deze
gemaakt had in het begin (Gen. 2)
Dit alles was gebaseerd op de bekering van het volk:
Eze 36:31 Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen en uw
handelingen, die niet goed waren; en gij zult een walging van u zelf
hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen.
Eze 36:22 Daarom zeg tot het huis Israels: Zo zegt de Heere HEERE:
Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israels! maar om Mijn heiligen
Naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen, waarhenen
gij gekomen zijt.
En dit alles zou zijn tot glorie en eer van de naam van God, de
God van Israel. Alles omwille de grote beloften die Hij gemaakt had
voor dit volk. (zie hier ook de connectie met Deut. 30)
Eze
36:24 Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen
vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen.
Eze 36:25 Dan zal Ik rein water op u sprengen, en
gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden
zal Ik u reinigen.
Hier lezen we ook
dat er een vervulling zou zijn van wat er in Deut. 30 staat
geschreven. God zou hen terugbrengen in het land. Alles zou rein
worden.
Alles zou anders worden.
En dit gebeurde toen onder Nehemia en Ezra het overblijfsel
terugkeerde naar het land van Israel.
4.
Hoofdstuk 37
In hoofdstuk 36
hebben we gezien dat God het overblijfsel een nieuw hart zou geven.
De Geest zou in hun binnenste gegeven worden. (36: 26- 28) Er word
daar gesproken over een vernieuwing, een vernieuwing die van God uit
zou gaan, gebaseerd op hun terugkeer naar de God van alle goden.
(Deut 30: 1- 10)
Als we kijken naar dit hoofdstuk kunnen we dit onder verdelen in
twee stukken:
A. 1- 14. De beloften aan Israel over hun levendmaking.
B. 15- 28 Het samen brengen van Israel onder koning David.
A. 1- 14. De beloften aan Israel over hun levendmaking.
De hand van Jehovah
was op de profeet om hem te laten zien dat er een opwekking zou
komen over de mensen van Israel, die zou zijn als een opwekking van
de dood.
De mensen van Israel waren weggevoerd en in het laaste hoofdstuk
zien we hun beschrijving als dood. (36: 26) Er moest een vernieuwing
plaatsvinden.
Een vernieuwing die alleen God kon bewerken.
Jehovah liet hem een vallei zien met dode beenderen, de beenderen
kwamen samen, ze kwamen tot leven. De Here liet toen zien op wie dat
betrekking had:
Eze 37:11 Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn
het ganse huis Israels; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn
verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden.
Hier zien we dan dat God een duidelijk beeld geeft over wie dit
gaat.
Het ging over het volk van Israel wat toen in ballingschap was in
vreemde landen.
Ze zouden weer tot leven komen en terug worden gebracht naar het
land. De vervulling van wat er beschreven staat in Deut. 30: 1- 10
In vers 11- 14 lezen we hoe God de Geest in hen zou geven en hun
terug zou brengen naar het land. God zou hen opnieuw doen wonen in
het land. Jehovah sprak over hun terugkeer naar het land van Israel,
uit het land van Babylon. Dit is volbracht, we lezen dit in Ezra en
Nehemia.
B. 15- 28 Het samen brengen van Israel onder koning David.
Deze verzen hebben twee
elementen.
A. Een onmiddelijke zegen voor het volk van Israel.
B. Een toekomst-zegen voor alle mensen onder koning David.
A. Een onmiddelijke zegen voor het volk van Israel.
In de verzen 15- 23 lezen we dat God de twee volken, Juda en Efraim,
één zou maken en brengen in het land van Israel.
Eze
37:21 Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de
kinderen Israels halen uit het midden der heidenen, waarhenen zij
getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun
land;
Eze 37:22 En Ik zal ze
maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israels; en zij
zullen allen te zamen een enigen Koning tot koning hebben; en zij
zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee
koninkrijken verdeeld zijn.
Hier zien we dan dat God beide, Juda en Efraim, zou terugbrengen in
het land als één.
Dit voor het volk van Israel.
B. Een toekomst-zegen voor alle mensen onder
koning David.
Als we naar
dit tweede stuk kijken zien we dat dit alles een tweede betekenis
krijgt.
Er word hier gesproken dat dit volk dat één geworden is een koning
zou krijgen en dat wel in koning David.
Dit is erg interessant omdat het volk niet een tweede keer een
koning David gekregen heeft. Deze woorden vinden hun vervulling in
Christus. Als we dan kijken naar het nieuwe Testament zien we dat
dit vervuld word in Christus.
Dus deze woorden krijgen een tweede betekenis. Dat deze woorden hun
vervulling vinden in Christus, in de gemeente van het nieuwe
Testament is duidelijk.
|
Dus deze woorden krijgen
een tweede betekenis. Dat deze woorden hun vervulling vinden
in Christus, in de gemeente van het nieuwe Testament is
duidelijk.
|
In Handelingen 2 zien we dat de Apostelen
het koningschap van Christus meten aan beloften uit het oude verbond
die betrekking hadden op koning David.
Handl. 2:29 Gij mannen broeders, het
is mij geoorloofd vrij uit tot u te spreken van den patriarch David,
dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons
tot op dezen dag.
Handl. 2:30 Alzo hij dan een profeet was, en
wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner
lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem
op zijn troon te zetten;
Handl. 2:31 Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de
opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel,
noch Zijn vlees verderving heeft gezien.
Handl. 2:32 Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen
getuigen zijn.
We lezen hier dat David
gestorven was, maar uit de "vrucht van zijn lenden" den Christus
verwekken zou die op zijn troon zou zitten.
Hier zien we dan de vervulling van de profetie uit Ezechiel.
Christus is de koning David die door Ezechiel beschreven word.
Ezechiel mocht in de toekomst zien en de gemeente van het nieuwe
verbond zien waar een ieder in één lichaam gebracht zou worden onder
één koning. Koning Christus.
Verder lezen we in:
Handl. 13:32 En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen
geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons, hun
kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft.
God heeft de belofte, die aan de vaderen geschied was, vervuld
toen Jezus uit de doden is opgewekt. Hier word specifiek de belofte
genoemd die gegeven is aan de vaderen.
We zien hier de vervulling van de woorden uit Gen. 15 dat God alle
natien zou zegenen door het zaad van Abraham en de brief aan Galaten
geeft aan dat Christus dit zaad is. Dit alles is heel belangrijk.
|
We zien hier de
vervulling van de woorden uit Gen. 15 dat God alle natien
zou zegenen door het zaad van Abraham en de brief aan
Galaten geeft aan dat Christus dit zaad is.
|
Handl. 13:33 Gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat:
Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
Handl. 13:34 En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, alzo dat
Hij niet meer zal tot verderving keren, heeft Hij aldus gezegd: Ik
zal ulieden de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn;
Handl. 13:35 Waarom hij ook in een anderen psalm zegt: Gij zult
Uw Heilige niet over geven, om verderving te zien.
Handl. 13:36 Want David, als hij in zijn tijd den raad Gods
gediend had, is ontslapen, en is bij zijn vaderen gelegd; en heeft
wel verderving gezien;
Hier zien we dan ook de connectie tussen Christus en David.
God, de Vader zou een koning oprichten, God zou de weldadigheden van
David geven. Weldadigheden die getrouw waren.
Met deze woorden zien we ook de woorden bevestigd in Jerusalem
gesproken.
Handl. 15:15 En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten,
gelijk geschreven is:
Handl. 15:16 Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen de
tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken
is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten.
Handl. 15:17 Opdat de overblijvende mensen den Heere zoeken, en
al de heidenen, over welken Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de
Heere, Die dit alles doet.
Hier in Handelingen 15 zien we ook dat de Apostelen spraken over
de vervulling van de beloften Davids door Amos gesproken. (Amos 9:
11, 12)
Deze beloften waren in vervulling gegaan toen de gemeente gesticht
is op de Pinksterdag.De gemeente waar de Jood en Heiden één zouden
zijn in één lichaam. (Efeze 2: 14- 22)
Conclusie:
De gebeurtenissen van Handelingen 2 en 15 passen in het patroon van
de beloften gegeven in het oude Testament die spreken over de
vervallen hut van David en de troon van David.
Lang voordat de gemeente werd gesticht waren de beloften gegeven. De
gemeente, zoals die in de Bijbel tot ons komt, gesticht op de
Pinksterdag is de vervulling van deze beloften gegeven in Ezechiel
35- 37.
Sommige groeperingen willen deze woorden uit Ezechiel 35- 37
toepassen op een koninkrijk dat nog zou moeten komen in de toekomst,
als Christus in Jerusalem op een letterlijke troon zou zitten. Niets
van dit kunnen we terug-vinden in de Bijbel.