Markus 9: 43 En indien
uw hand u ergert, houwt ze af; het is u beter verminkt tot het leven
in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, in
het onuitblusselijk vuur;
Markus 9: 44 Waar hun
worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.
Marus 9: 45 En indien uw
voet u ergert, houwt hem af; het is u beter kreupel tot het leven in
te gaan, dan de twee voeten hebbende, geworpen te worden in de hel,
in het onuitblusselijk vuur;
Mar 9: 46 Waar hun worm
niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.
Markus 9: 47 En indien
uw oog u ergert, werpt het uit; het is u beter maar een oog hebbende
in het Koninkrijk Gods in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het
helse vuur geworpen te worden;
Markus 9: 48 Waar hun
worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.
Als we kijken naar de bediening van Jezus zien we dat Christus
leerde over de hel.
Hij leerde op verschilende momenten in Zijn bediening over deze
plaats. Als Christus erover sprak zouden wij er ook over moeten
spreken. Als het voor Christus belangrijk was om hierover te
spreken, moet het voor ons ook belangrijk zijn.
Waarom schrijven we dit? In de Bijbel word gesproken over het
dodenrijk en over de hel.
Het dodenrijk beschrijft de plaats waar alle mensen heengaan voordat
er een oordeel komt.
Na het oordeel zijn er twee plaatsen van bestemming en dat zijn de
hemel of de hel.
Maar in de meeste Bijbels worden deze woorden, die vertaald worden
als dodenrijk en hel, niet altijd consequent vertaald. Er zijn
minstens twee plaatsen waar dodenrijk vertaald is met hel. [Later
meer hierover, zie punt 1]
In de Bijbel worden drie termen, woorden gebruikt die belangrijk
voor ons zijn.
Er word gesproken over Gehenna, over Hades en over Tartarus.
Al deze termen zijn heel specifiek.
Het dodenrijk [Hades] is een term die gebruikt word om de plaats aan
te geven waar de doden zijn totdat er een opstanding komt.
De hel [Gehenna] is de plaats die voorbereid is voor de duivel en
zijn engelen.
Dan spreekt de Bijbel over een plaats waar de gevallen engelen zijn
en deze plaats word aangegeven met de Griekse term Tartarus. [ 2
Petrus 2: 4] Dit woord, Tartarus, word maar één keer gebruikt in het
gehele nieuwe Testament. Judas 6 verwijst wel naar dezelfde plaats,
maar daar word dit woord niet gebruikt.
1. Gehenna.
Het woord “gehenna” word komt 12x voor in de grondtekst van het
nieuwe Testament.
-Matt. 5: 22, 29, 30
-Matt. 10: 28
-Matt. 18: 9
-Matt. 23: 15, 33
-Markus 9: 43, 45, 47
-Lukas 12: 5
-Jacobus 3: 6
Veel vertalingen hebben op een aantal plaatsen het woord “hel” in
plaatsen waar het eigenlijk als “dodenrijk” vertaald had moeten
zijn.
Voorbeelden hiervan zijn:
-Handl. 2: 27, 31
Handl. 2: 27 Want Gij
zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige over
geven, om verderving te zien.
Handl. 2: 31 Zo heeft
hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat
Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving
heeft gezien.
In beide teksten zien we het woord “hel”, dit is een onjuiste
vertaling. In beiden teksten moet het “dodenrijk” zijn. Beide
teksten hebben in de Griekse grondtekst het woord Hades.
Christus is nooit in de hel geweest maar wel in het dodenrijk.
We zien dit als we dit vergelijken met Lukas 23: 43
Lukas 23: 43 En Jezus
zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het
Paradijs zijn.
We zien dit woord dat vertaald word als “paradijs” ook in 2 Kor. 12:
1- 4 en ook in Openb. 2: 7.
2. Gehenna, het woord.
Gehenna was een transliteratie van een woord uit de Hebreeuwse taal,
dit woord kwam van het Hebreeuwse woord “Hinnom”, of “vallei van
Hinnom”.
-Joshua 15: 8; 18: 16
Dit woord was de plaats waar kinderen werden geofferd aan Moloch.
De geschiedenis was waarlijk één van Heidense offerande. Iets
wat God Zijn volk duidelijk had verboden.
-Lev. 18: 21; 20: 1- 7
De Israelieten gingen ook hun kinderen offeren.
-Jer. 7: 31
Als we kijken naar Koning Ahaz, hij was degene die deze dingen deed,
(2 Kron. 28: 3) ook zijn kleinzoon Manasse deed deze dingen. (2
Kron. 33: 6)
Het was Josia die het land van deze dingen ontdeed. (2 Kon. 23: 10)
Vanaf die tijd werd het een plaats waar afval werd gedumpt, volgens
de seculiere geschiedenis werden er ook lijken gedumpt van
criminelen en waar een vuur brandde dat niet doofde. Het was een
vuur dat nooit uitging.
Toen Jezus sprak over Gehenna refereerde Christus naar deze plaats.
Een plaats waar een vuur brandde dat niet uitging.
3. Is de hel een echte plaats?
Deze vraag kunnen we alleen maar met ja beantwoorden.
Net zo goed als dat de Bijbel over de hemel spreekt en dit een ware
plaats is, kunnen we ook stellen dat de hel een ware plaats is die
bestaat.
(Matthew 3: 12; 5: 22, 29- 30; 7: 13- 14; 8: 11- 12; 10: 28; 13: 30,
38-42; 18: 8- 9, 34- 35; 22: 13; 23: 15, 33; 25: 30, 41, 46; Mark 9:
43- 48; Luke 3: 17; 12: 5; 2 Thessalonians 1: 3-10; 2 Peter 2: 4- 9;
Openbaring 14: 9- 11; 19: 20; 20: 10,13- 15; 21: 8)
In 3 van de vier evangelien sprak Christus duidelijke woorden als
het over Gehenna ging.
Paulus en de andere apostelen refereerden ernaar.
Als we kijken naar de woorden van Openbaring dan zien we dat deze
woorden gesproken worden door Christus die “de waarachtige is” [3:
7] dat hij “de amen, de trouwe en waarachtige getuige” is [3: 14]
dat Hij woorden sprak die “getrouw
en waarachtig” waren. [22: 6]
Jezus sprak ware, zuivere en getrouwe woorden en dat niet alleen in
Openbaring maar ook in al Zijn andere woorden.
4. Wat is natuur van deze hel?
De natuur van deze plaats is er één die in de eerste plaats voor ons
onmogelijk is om compleet en volledig te bevatten.
Maar om toch een beeld te krijgen van deze plaats geeft God ons
woorden en gedachten mee om ons te helpen om te begrijpen wat deze
plaats is, en nog meer, om zoveel ervan te begrijpen dat we alleen
maar naar de hemel zouden willen gaan.
De Bijbel beschrijft deze plaats als “buitenste
duisternis; aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden” [Matt.
8: 12; 22: 13] Petrus en Judas spreken over “donkerheid der
duisternis in der eeuwigheid” [2 Petrus 2: 17; Judas 13]
Markus spreekt over “onuitblusselijk vuur,
waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt” deze
woorden worden zelfs tot drie keer toe herhaald. [Markus 9: 43- 48]
In Lukas lezen we “maar het kaf zal Hij
met onuitblusselijk vuur verbranden” [Lukas 3: 17]
Als er geschreven word over
het uiteindelijke lot van hen die Gode niet deelachtig waren lezen
we “En de rook van hun pijniging gaat op in
alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest
aanbidden en zijn beeld, en zo iemand het merkteken zijns naams
ontvangt”. [Openb. 14: 11]
Paulus beschrijft het in zijn brief aan de
Thessalonians als
“Dewelken zullen tot straf lijden het eeuwig verderf, van het
aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte”. [1
Tess. 1: 9]
“En zullen dezelve in den vurigen oven
werpen; daar zal wening zijn en knersing der tanden”. [Matt. 13: 42]
In al deze teksten zien we een beeld
verschijnen van de natuur van deze hel. Het is een plaats van
donkerheid, duisternis, een onuitblusselijk vuur, de rook van hun
pijniging, zij hebben geen rust dag en nacht, wening en knersing der
tanden, al deze woorden en principes worden gebruikt om ons een
beeld te geven van deze plaats.
5. Voor wie is deze eeuwige hel?
In de eerste plaats laat de Bijbel zien
dat deze eeuwige hel gemaakt is voor de duivel en zijn engelen.
Mat 25:41 Dan zal Hij
zeggen ook tot degenen, die ter linker hand zijn: Gaat weg van Mij,
gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn
engelen bereid is.
Laat het duidelijk zijn dat de Bijbel ons leert dat God wil dat alle
mensen behouden worden
[Titus 2: 11; 2 Petrus 3: 9; 1 Joh. 2: 2]
God heeft er alles aan gedaan dat alle mensen behouden kunnen
worden.
God heeft de zaligheid van alle mensen op het oog.
God heeft een plaats voorbereid voor de duivel en zijn engelen. Dat
is de hel, de eeuwige hel, het eeuwige vuur. Deze plaats is in
eerste instantie niet voor mensen gemaakt.
Als we onze vraag verder gaan overdenken,
over wie er in de hel zullen komen, weten we ook dat mensen daar
zullen komen, er zijn twee teksten die ons daarop een duidelijk
antwoord geven en die ons ook laten zien wie deze mensen zijn.
Mattheus 7: 21- 23
Mat 7: 21 Niet een
iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het
Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die
in de hemelen is.
Mat 7: 22 Velen zullen
te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw
Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam
vele krachten gedaan?
Mat 7: 23 En dan zal Ik
hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij,
gij, die de ongerechtigheid werkt!
Mat 7: 24 Een iegelijk
dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik
vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots
gebouwd heeft;
Deze eerste tekst laat ons zien dat het horen en het doen van de wil
van God de weg is naar het eeuwige leven, de weg naar de Hemel.
We lezen dat er mensen voor Christus komen te staan die zeggen in
Zijn naam te hebben geprofeteerd, in Zijn naam duivelen uitgeworpen
te hebben en menen krachten gedaan te hebben in Zijn naam.
Vele mensen denken vele mooie dingen gedaan te hebben in de naam van
God, maar het enige wat echt telt is om de ware wil van God te horen
en deze te doen, zonder daar iets aan toe te voegen of af te halen.
Al deze krachten werden gedaan niet vanuit de kracht van God, maar
uit de kracht van Satan.
-2 Tess. 2: 9- 10
Vele mensen doen vele dingen in de naam van de Heer, maar als deze
dingen geen basis vormen vanuit de leer van God komt dit tekort aan
het waarlijk liefhebben van de Vader.
Daarom is het ook zo belangrijk om volledig te staan in de wil van
God.
Daarom moeten we zuivere leraars hebben. Daarom moeten we getrouwe
mensen vinden die de zuivere leer van Christus doorgeven aan de
volgende generatie. [2 Tim. 2: 2]
Daarom moet alles wat onzuiver is in de gemeenten eruitgezet worden.
[Rom. 16: 17]
Mensen die hemelburgers willen zijn moeten de leer van God horen en
doen. Mensen die deze leer van Christus niet serieus nemen en
verkeerde dingen leren en doen komen in de eeuwige hel terecht.
2 Tess. 1: 6- 10
2 Th 1: 6 Alzo het recht
is bij God verdrukking te vergelden dengenen, die u verdrukken;
2 Th 1: 7 En u, die
verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van den Heere
Jezus van den hemel met de engelen Zijner kracht;
2 Th 1: 8 Met vlammend
vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over
degenen, die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus niet
gehoorzaam zijn.
2 Th 1: 9 Dewelken
zullen tot straf lijden het eeuwig verderf, van het aangezicht des
Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte,
2 Th 1: 10 Wanneer Hij
zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en
wonderbaar te worden in allen, die geloven (overmits onze getuigenis
onder u is geloofd geworden) in dien dag.
In deze tekst lezen we dat God vlammend vuur zal laten komen over
hen die Hem niet kennen.
Er is een belangrijk woord in deze tekst. Het woord “kennen”.
1492 eido of oida, ww
1) zien
1a) met de ogen waarnemen
1b) met de zintuigen waarnemen
1c) zien, merken, onderscheiden, ontdekken
1d) zien
1d1) d.w.z. het oog, het verstand, de aandacht op iets richten
1d2) aandacht schenken aan, waarnemen
1d3) iets nazien 1d31) d.w.z. vaststellen wat er aan gedaan moet
worden
1d4) inspecteren, onderzoeken
1d5) kijken naar, bezien
1e) een toestand of omstandigheid ervaren
1f) zien, d.w.z. een onderhoud hebben met, bezoeken
2) weten
2a) van iets weten
2b) weten, d.w.z. kennis krijgen van, begrijpen, inzien
2b1) van een feit
2b2) de kracht en bedoeling van iets dat een vastomlijnde betekenis
heeft
2b3) weten hoe, bekwaam zijn in
2c) zich om iemand bekommeren, koesteren, aandacht schenken aan (1
Thess. 5:12)
Dit woord “kennen” heeft in zich dat we waarlijk zien en waarlijk
weten wie God is. Het is een term die spreekt over intimiteit.
Dit valt weer samen met onze voorgaande tekst uit Mattheus, waar
Christus sprak over het leren en doen van de wil van de Vader.
Een ieder die deze wil niet kent en niet doet kent de Vader niet.
Verder zien we dat dit woord “kennen” een werkwoord is. Dit houd in
dat er iets voor gedaan moet worden om God waarlijk te kennen. En
dat betekent Zijn wil leren kennen en deze te doen. [Efeze 2: 1;
Jacobus 2]
In Johannes 17 leren we dat Jezus deze wil heeft bekent gemaakt aan
zijn discipelen en deze hebben ons deze wil gebracht. We bezitten de
wil van God en kunnen Hem waarlijk “kennen”. Degene die dit niet
bezitten zullen straf lijden, het eeuwige verderf, ver van het
aangezicht van de Vader.
Waar zijn dan de mensen die waarlijk de leer van Christus leren en
deze leven in hun dagelijkse leven?
Niets meer en niets minder is nodig om een hemelburger te zijn.
6. Is deze hel een vernietiging of is het een altoosdurende pijn.
Als we kijken naar alle teksten die over
de hel gaan dan zien we een beeld ontstaan dat deze hel altoosdurend
is. Dit is een vraag die in veel groepen heftig word ge-debatteerd.
Als we kijken naar Openb. 14: 11 en 12
lezen we dat “ze geen rust hebben in de hel niet bij dag en ook niet
bij nacht”. Dit geeft ons zeker een beeld dat het eeuwig is.
We lezen in Markus over de hel als zijnde
de plaats waar “hun worm niet sterft”, dit zijn woorden die laten
zien dat het een altoosdurende positie is.
Dit waren ook woorden die door de profeet
Jesaja geprofeteerd werden.
Jes. 66: 23 En het zal
geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van den
enen sabbat tot den anderen, alle vlees komen zal om aan te bidden
voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.
Jes. 66: 24 En zij
zullen henen uitgaan, en zij zullen de dode lichamen der lieden
zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet
sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen allen
vlees een afgrijzing wezen.
Bepaalde mensen kijken naar teksten zoals
Mattheus 5: 28, zien dan de woorden “En vreest u niet voor degenen,
die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest
veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel”.
Deze mensen zeggen dan, kijk eens naar het
woord verderven, dat woord houd in dat er een verderving plaatsvind,
dus houden we op om te bestaan.
En zo zijn er meer plaatsen en zijn er
bepaalde woorden die dit zouden kunnen betekenen.
Maar in alle dingen moeten we naar alle
teksten kijken en vandaar uit een zuiver antwoord vinden.
We kijken naar een andere passage:
1Th 5:2 Want gij weet
zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een
dief in den nacht.
1Th 5:3 Want wanneer zij
zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig
verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en
zij zullen het geenszins ontvlieden;
In deze tekst word ook het woord verderf gebruikt voor hen die niet
voorbereid zijn op de dag des Heeren.
Het woord verderf dat hier word gebruikt betekend ondergang en dood.
Als we kijken naar de woorden van Mattheus
in hoofdstuk 25: 31- 46 dan zien we dat de rechtvaardigen zullen
ingaan in het eeuwige leven en de onrechtvaardigen in het eeuwige
verderf.
Beiden zijn voor eeuwig. Hetzelfde Griekse
woord word hier in beide gebruikt. Beiden geven aan dat er een
eeuwige toestand ontstaat voor zowel de rechtvaardigen als de
onrechtvaardigen.
Wat kunnen we zeggen over deze dingen?
De meeste teksten geven een beeld dat het
altoosdurend is, bepaalde teksten en woorden zouden kunnen betekenen
dat het niet altoosdurend is, dat het inderdaad een vernietiging is.
Maar zelfs al zou het niet altoosdurend
zijn, zouden we vernietigd willen worden en niet het eeuwige leven
met God ingaan?
Waarom zouden we kiezen voor zonde en zijn
vrucht die ons nooit waarlijk zal laten leven?
Waarom kiezen we niet voor een leven van liefde? Waarlijke liefde?
7. Een universele opstanding.
Als we kijken naar Johannes het vijfde
hoofdstuk zien we de volgende woorden.
Joh 5: 28 Verwondert u
daar niet over, want de ure komt, in dewelke allen, die in de graven
zijn, Zijn stem zullen horen;
Joh 5: 29 En zullen
uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens,
en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.
In deze woorden, door Christus gesproken, zien we dat allen zullen
opstaan. Die het goede gedaan hebben tot het leven en die het kwade
gedaan hebben tot de verdoemenis.
Alle mensen zullen opstaanl, alle mensen die ooit geleefd hebben
zullen voor God komen te staan. Wat zal dan ons antwoord zijn.
We lezen in Openb. 2: 11- 15 dat de boeken geopend zullen worden. We
lezen dat de zee en het dodenrijk de doden zullen opgeven en allen
zullen we staan voor de troon van Christus die ons allen zal
oordelen.
Een ieder die niet gevonden word in het boek des levens word
geworpen in de poel des vuurs.
Wat laatste woorden.
Vriend, broeder en zuster er is een grote en wonderbaarlijke dag op
komst!!
Een dag in welke een ieder zal moeten verschijnen voor het
aangezicht des Heeren. Wat zal deze dag voor jou brengen? Het leven
of de verdoemenis?
God heeft een plaats bereid voor hen die Hem waarlijk liefhebben,
een plaats die de hemel genoemd word, een plaats waar alleen maar
ware gerechtigheid woont.
Zouden we daar niet willen wonen en op deze aarde al niet de
vruchten van een waar leven willen bezitten. Een leven van vrede met
God en vrede met mensen.
Een leven waarin we een relatie hebben met de God van hemel en
aarde?