In het
vorige artikel hebben we geschreven over Messiaanse profetieën in de
boeken van Mozes. In dit artikel zullen we ingaan op Messiaanse
woorden uit het boek Samuël.
2 Sa 7:12
Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en gij met uw vaderen
zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw
lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen.
2 Sa 7:13 Die zal Mijn
Naam een huis bouwen; en Ik zal den stoel zijns koninkrijks
bevestigen tot in eeuwigheid.
2 Sa 7:14 Ik zal hem
zijn tot een Vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon; dewelke als
hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen der
mensenkinderen straffen.
In deze
profetie zien we dat God een belofte maakt aan David dat als hij
ontslapen zou zijn dat er een zoon van David op zijn troon zou
zitten.
Wie word er met deze zoon bedoeld? Dat is onze cruciale vraag.
Heb 1:5 Want tot wien
van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb
ik U gegenereerd? En wederom: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij
zal Mij tot een Zoon zijn?
In bovenstaande passage uit Hebreen zien we dat de schrijver van
Hebreen deze tekst uit 2 Samuel 7 aanhaalt als volbracht in
Christus. Deze profetie is volbracht in Christus die op Zijn troon
in de hemel zit.
Het nieuwe Testament is hier duidelijk in, profetieën gesproken door
de profeten worden aangehaald en we zien hoe deze profetieën vervuld
worden.
De Bijbel geeft ons daar duidelijkheid in.
Laten we daar ook bij schrijven dat deze profetie ook te maken had
met de zoon van David, Salomo, die de tempel heeft gebouwd.
Primair vinden we dan deze profetie vervuld in Jezus en secundair in
Salomo.
Als we dan verder kijken in Handl. 2: 29 zien we deze profetie
aangehaald door Lukas als volbracht in Christus en meer spedifiek in
Zijn opstanding.
Handl. 2:29 Gij mannen
broeders, het is mij geoorloofd vrij uit tot u te spreken van den
patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn
graf is onder ons tot op dezen dag.
Handl. 2:30 Alzo hij dan
een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij
uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus
verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten;
Handl. 2:31 Zo heeft
hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat
Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving
heeft gezien.
Handl. 2:32 Dezen Jezus
heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.
Petrus begint hier te spreken over het principe dat David gestorven
en begraven is tot op de dag dat deze woorden gesproken werden.
Maar zegt Petrus, David was een profeet en wist dat God hem met een
ede gezworen had dat een vrucht van zijn lenden op zijn troon zou
zetten.
Zo heeft hij, gaat de schrijver verder, in de toekomst gezien en
gesproken over de “opstanding van Christus”. In deze dingen zien we
dat deze profetie van David vervuld is in de opstanding van
Christus.
Dit zijn wonderbaarlijke woorden die ons heel duidelijk laten zien
dat deze belofte aan David vervuld is in de opstanding van Christus.
De woorden hebben zijn vervulling gevonden.
Psa 132:10 Weer het
aangezicht Uws Gezalfden niet af, om Davids, Uws knechts wil.
Psa 132:11 De HEERE
heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal,
zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten.
In bovenstaande woorden zien we David die zich tot God richt met de
woorden uit de profetie van Samuel.
David roept naar God om zijn beloften gestand te doen houden. God
had David een eed gedaan en David beroept zich daarop. God heeft
deze beloften volbracht in de opstanding van Christus.
God heeft alles volbracht in de grote Christus.