Als we naar Romeinen kijken komen we de woorden tegen dat God “Jakob
heeft liefgehad, maar
Esau heb ik gehaat”. (Rom. 9: 13)
We willen
wat woorden delen over deze tekst. We willen kijken naar de context,
de achtergrond en waarom Paulus deze woorden aanhaalde die zelfs
gesproken waren door God zelf.
10 Maar dit niet alleen;
daar is ook Rebekka, bevrucht van een man, onze vader Isaak.
11 Want toen de kinderen
nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan (opdat het
verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken,
maar op grond daarvan, dat Hij riep),
12 werd tot haar gezegd:
De oudste zal de jongste dienstbaar zijn,
13 gelijk geschreven
staat: Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat.
1. De
context van het boek van Romeinen.
In de eerste plaats willen we benadrukken dat we naar de context van
deze woorden moeten kijken.
Alle brieven van de Bijbel waren origineel niet geschreven in
hoofdstukken en verzen.
Alle Bijbelboeken waren brieven met een enkel begin en een enkel
einde.
Als we dan zomaar in de midden van zo'n brief 10 woorden eruit halen
dan kunnen we ons indenken dat we daar verschillende uitleggingen
aan kunnen geven en tot verschillende conclusies komen.
We weten dat Paulus deze woorden met een heel specifieke reden
aanhaalde en daarom is er maar één uitleg voor deze woorden, maar
die komen we niet te weten zonder dat we de context wat beter gaan
belijken.
Dus als we waarlijk de woorden over Jacob en Esau in Romeinen 9
willen begrijpen dan moeten we in de eerste plaats kijken waar
Paulus over spreekt in die context en waarom hij dat dan die woorden
uit het oude verbond aanhaalt.
Wat is de context van deze aangehaalde woorden van Paulus?
Paulus heeft in het boek van Romeinen, in de eerste drie
hoofdstukken, gesproken over de universaliteit van zonde.
In de eerste drie hoofdstukken van Romeinen schrijft Paulus dat,
beiden Jood en Heiden schuldig staan voor God, en dat ze allen onder
de zonde zijn.
In hoofdstuk 3 laat Paulus ook zien dat God een weg heeft gemaakt
buiten we wet om, (Rom. 3: 21- 31) om allen zalig te maken door het
geloof in Jezus Christus.
Paulus, die dit boek
hoofdzakelijk aan Christenen schrijft die vanuit het Jodendom waren
gekomen, laat dan in hoofdstuk vier zien hoe Abraham en David naar
dit principe hebben geleefd en zij waren de grote mannen Gods in het
oude verbond.
Het punt dat Paulus aangeeft in hoofdstuk 4 is dat dit principe,
rechtvaardigheid door het geloof en niet door de wet, aan hen
helemaal niet onbekend behoorde te zijn.
Paulus gaat dan verder in hoofdstuk 5 en laat een contrast zien
tussen Adam en Christus, Paulus laat zien dat wat Adam in de wereld
heeft ge-introduceerd dat Christus dat teniet heeft gedaan door zijn
offerande voor de zonde. Paulus laat zien dat waar de zonde, die
leidde tot de dood, is toegenomen de gerechtigheid, die leid tot
eeuwig leven, meer dan overvloedig is geworden in Christus. (Rom. 5:
20- 21)
Maar, gaat hij dan schrijven in hoofdstuk 6, het feit dat de genade
groter is dan de zonde betekent niet dat je dan kan blijven zondigen
opdat de genade zou toenemen.
Dat zou een verkeerde conclusie zijn. Hij wijst dan op hun dood van
het lichaam der zonde toen ze gedoopt waren in Christus als basis
voor een leven van gerechtigheid.
Als we dan in hoofdstuk 7 komen zien we dat Paulus meer gaat spreken
over de relatie van de wet tot de Jood.
We lezen dan dat Paulus schrijft:
1
Of weet gij niet, broeders, (ik spreek immers tot wie de wet
kennen) dat de wet heerschappij voert over de mens, zolang hij
leeft?
2
Want de gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden,
zolang deze leeft; wanneer echter de man sterft, is zij ontslagen
van de wet, die haar aan die man bond.
3
Zo zal zij dan, indien zij bij het leven van haar man een ander
tot man neemt, echtbreekster heten; wanneer echter de man sterft, is
zij vrij van de wet, zodat zij geen echtbreekster is, indien zij
zich aan een andere man geeft.
4
Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het
lichaam van Christus om het eigendom te worden van een ander, van
Hem, die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden
dragen.
5
Want toen wij in het vlees waren, werkten de zondige
hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om
voor de dood vrucht te dragen;
6
maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die
ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes
en niet in de oude staat der letter.
In deze woorden zien we dat Paulus spreekt hoe deze Christenen, van
Joodse komaf, zich aan een andere wet moesten binden en dat was de
wet van Christus.
Ze waren bevrijd van de wet van Mozes door de dood van Christus.
Zoals een vrouw vrij is van de wet die haar aan haar man bind als
deze sterft, is de oude wet ook gestorven toen de wet van Christus
is gekomen. (Hebr. 9: 15- 17; 7; 12)
Dus deze Christenen, van Joodse komaf, waren bevrijd van de wet en
zo diende ze in de nieuwe staat van de Geest en niet in de oude
staat van de letter.
Ze waren onder de wet van Christus gekomen en waren bevrijd van de
wet van Mozes.
In vers 7 tot 12 van hoofdstuk 7 lezen we dan dat Paulus schrijft
over deze oude wet.
Was deze wet dan verkeerd, was deze wet dan zondig?
En Paulus geeft daar een heel duidelijk antwoord op als hij schrijft
dat
;
1) de wet zonde deed kennen en 2) dat de wet heilig, rechtvaardig en
goed is.
In hoofdstuk 8 gaat Paulus dan spreken over het grote principe van
het evangelie, dat voor een ieder die in Christus Jezus is geen
veroordeling is.
Paulus schrijft in dit hoofdstuk over het ware contact met de Geest
van God die komt door het geloof in Christus. Hij schrijft over de
ware hoop die is in Christus. Dat vanuit Christus en de zorg van de
Geest in ons leven waarlijk “Abba Vader” kunnen zeggen, een term die
spreekt van ware intimiteit met God, maar de basis daarvan was het
geloof in Christus en levend in dat geloof zou niets hen kunnen
scheiden van de liefde Gods.
Hoofdstuk 8 is een ware parel als het gaat over geloof in Christus.
Zo komen we dan aan hoofdstuk 9 en hoe begint Paulus dit hoofdstuk?
2. De kleinere context van hoofdstuk 9.
Als we spreken over de kleinere context, dan spreken we over de
woorden waarin een bepaalde tekst direct word omgeven. Dus willen we
wat dichter naar hoofdstuk 9 kijken.
Hoe begint Paulus dit hoofdstuk?
1 Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, want mijn
geweten betuigt mij dit mede door de heilige Geest:
2
Ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer.
3
Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te zijn ten
behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees;
4
immers, zij zijn Israelieten, hunner is de aanneming tot zonen
en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst
en de beloften;
5
hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de
Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid!
Amen.
Paulus schrijft hier over “zijn broeders, zijn verwanten naar het
vlees”. Wie zijn deze verwanten naar het vlees, juist, dat zijn de
Israelieten. Dat is het Joodse volk. En dat is een punt dat zeer
belangrijk is. Paulus spreekt over zijn broeders, het volk van de
Joden, degene die nog onbekeerd waren die zichzelf nog niet tot God
hadden bekeerd.
Hij spreekt over hen die de verbonden waren gegeven, de wetgeving,
de eredienst en de beloften. (vers 4) Het waren zijn verwanten naar
het vlees.
Als we verder kijken in dit hoofdstuk zien we principe verder in
vers 24, daar spreekt Paulus over “wij, uit de Joden” en “ook uit de
Heidenen”.
Hij spreekt dan ook over woorden geprofeteerd vanuit Hosea waar over
de Joden word gesproken over “de geliefde” en over de Heidenen als
“niet geliefde”. (Belangrijke woorden!!!)
Hij spreekt verder over “het getal der kinderen Israels” (vers 27)
Dan spreekt hij verder in vers 30 en 31 over “de Heidenen die geen
gerechtigheid hebben nagejaagd” en Israel die “de wet van
gerechtigheid najaagde, maar niet aan de wet is toegekomen”.
(Dit beketent dat ze de wet niet volledig konden volbrengen, dus
zondaars waren)
In hoofdstuk 10 lezen we dan ook dat Paulus schrijft:
“Broeders, de begeerte mijns harten en mijn gebed over hun
behoud gaan tot God uit. 2
Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God
bezitten, maar zonder verstand. 3
Want onbekend met Gods gerechtigheid en trachtende
hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de
gerechtigheid Gods niet onderworpen”.
Weer zien we dat Paulus spreekt over het volk van Israel, de Joden,
het volk dat God verkoren had.
In vers 20 en 21 van hoofdstuk 10 spreekt Paulus over “Ik ben
gevonden door wie mij niet zochten”, dit is een quotatie uit Jesaja,
en Paulus gaat dan verder en spreekt over “Israel, het
tegensprekende volk”.
In hoofdstuk 11 schrijft Paulus: “heeft God dan Zijn volk
verstoten”. Weer zien we dat Paulus spreekt over het volk Israel.
Als we verder hoofdstuk 11 lezen zien we dan Paulus constant spreekt
over het volk Israel, hun verkiezing, hun bevoorrechte plaats in het
plan van God en hun aanneming.
En hij spreekt dan ook weer over de Heidenen als hen die verworpen
waren, over hoe de Heidenen ge-ent zijn op de heilige wortel.
Al deze dingen laten zien dat Paulus spreekt over de Joden en
Heidenen en welke de plaats was en is in het grote plan van God.
Dat is de context van Romeinen 9. Alles gaat over de twee volken, de
Joden en de Heidenen.
3. Over Jacob en Esau.
Als we dan wat meer na gaan denken over de specifieke woorden van
vers 13 uit Romeinen 9 zien we dat dit omgeven word door de
verkiezing van Israel, hun bevoorrechte positie tegenover de
Heidenen. Dus over hen als volk der Joden.
Als we dan eens verder kijken naar deze specifieke woorden zien we
dat Paulus woorden aanhaalt uit Genesis.
Laten we deze woorden eens verder overdenken.
10
Maar dit niet alleen; daar is ook Rebekka, bevrucht van een man,
onze vader Isaak.
11
Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad
hadden gedaan
(opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van
werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep),
12
werd tot haar gezegd: De oudste zal de jongste dienstbaar zijn,
13
gelijk geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb
Ik gehaat.
Paulus haalt woorden aan uit het boek van Genesis, woorden die waren
gesproken tegen Rebekka.
We zien dan een aantal belangrijke dingen.
Genesis 25: 20- 16
20
Isaak was veertig jaar oud, toen hij Rebekka, de dochter van
Betuel, de Arameeer uit Paddan-aram, de zuster van de Arameeer
Laban, tot vrouw nam.
21
Nu bad Isaak de HERE voor zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar;
en de HERE liet Zich door hem verbidden, en zijn vrouw Rebekka werd
zwanger.
22
En de kinderen stieten in haar binnenste tegen elkander. Toen
zeide zij: Indien het aldus gesteld is, waarom overkomt mij dat?
Daarop ging zij om de HERE te vragen.
23
En de HERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw schoot, en
twee natien zullen zich scheiden uit uw lichaam; de ene natie zal
sterker zijn dan de andere, en de oudste zal de jongste dienstbaar
wezen.
24
Toen nu haar dagen vervuld waren, dat zij baren zou, waren er
dan ook tweelingen in haar schoot.
25
En de eerste kwam te voorschijn, rossig, geheel als een haren
mantel; en men gaf hem de naam Esau.
26
En daarna kwam zijn broeder te voorschijn, wiens hand Esaus hiel
vasthield; en hem noemde men Jakob. En Isaak was zestig jaar oud bij
hun geboorte.
In deze teksten lezen we het verhaal over Rebekka en hoe zij
geboorte gaf aan twee kinderen.
Maar we zien een aantal opmerkelijke zaken. Laten we daar eens meer
over nadenken.
Rebekka is zwanger van een tweeling, maar gedurende de zwangerschap
waren er problemen tussen deze twee kinderen. De tekst schrijft dat
ze tegen elkander stieten. Ze gaat hiermee naar de Here en vroeg aan
de Here waarom dit was.
Het antwoord is zeer opmerkelijk. Het antwoord is: “Twee volken
zijn in uw schoot, en twee natien zullen zich scheiden uit uw
lichaam; de ene natie zal sterker zijn dan de andere, en de oudste
zal de jongste dienstbaar wezen”.
En daar zien we dan in één keer een belangrijk gegeven om de woorden
van Paulus in Romeinen goed te begrijpen.
De Here zei tegen Rebekka dat er geen twee kinderen in haar buik
waren, maar twee volken. Natuurlijk waren er ook twee kinderen, maar
het stieten van de kinderen naar elkaar was representatief voor de
toekomst. Er waren twee volken in haar binnenste en de ene zou
sterker zijn dan de andere en de oudste zou de jongste dienstbaar
zijn.
Dit is zeer opmerkelijk omdat de jongste altijd de oudste dienstbaar
was.
Als we verder kijken zien we dat Jacob de vader is van het Joodse
volk en Esau de vader is van de Heidenen. En zo zien we dat Paulus
in Romeinen 9 niet spreekt over Jacob en Esau persoonlijk, maar hoe
ze de voorvaderen waren van twee volken, de Joden en de Heidenen.
En dat is waar Paulus over spreekt. De verkiezing van Israel.
4. Gods verkiezing.
Als we dan teruggaan naar Romeinen zien we dan in één keer hoe
Paulus deze woorden toepast:
“opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op
grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep”.
Dus in deze woorden zien we dat God het ene volk boven het andere
volk verkoos.
En dat is dan in één keer de sleutel tot het begrijpen van de
woorden van Paulus.
God had een verkiezing gemaakt. Maar dit is een nationale verkiezing
dat God maakte met het volk der Joden, zij waren voorbestemd door
God om Zijn verbondsvolk te worden.
Dus als Paulus spreekt over Jacob in Romeinen 9 vers 13 spreekt hij
over het volk Israel. En dat volk was door God uitgekozen om voor
God een volk te worden naar Zijn verkiezing.
We lezen dan ook in Rom. 9 vers 11: “Want toen de kinderen nog
niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan”.
Het was een verkiezing van God en deze keuze was al gemaakt door God
voordat deze twee kinderen geboren waren.
Het was louter naar de raad van Zijn eigen wil.
We lezen dan verder in dit stuk: “14 Wat zullen wij dan zeggen?
Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre. 15
Want Hij zegt tot Mozes: Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij
ontferm, en zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben. 16
Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die
loopt, maar des ontfermenden Gods”.
Het was louter de verkiezing van God die hier aan het werk was.
Maar laten we niet vergeten dat het gaat over een nationale
verkiezing en niet over een individuele verkiezing.
Sommige mensen willen deze nationale verkiezing een persoonlijke
verkiezing maken en dit is tegen de context in.
De pottenbakker heeft volledig gezag om te doen met het klei dat Hij
heeft gemaakt, God kan het gebruiken ter ere of ter onere. (19- 24)
Als we kijken naar het boek van Maleachi hoofdstuk 1 zien we
belangrijke woorden over dit onderwerp.
1
Een godsspraak. Het woord des HEREN tot Israel door de dienst
van Maleachi.
2
Ik heb u liefgehad, zegt de HERE. En dan zegt gij: Waarin hebt
Gij ons uw liefde betoond? Was niet Esau Jakobs broeder? luidt het
woord des HEREN.
3
Toch heb Ik Jakob liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat; Ik heb
zijn bergen tot een woestenij gemaakt en zijn erfdeel aan de
jakhalzen der woestijn prijsgegeven.
4
Wanneer Edom zegt: Wij zijn verwoest, doch wij zullen de
puinhopen weer opbouwen; Zo zegt de HERE der heerscharen: Laten
dezen bouwen, maar Ik zal afbreken; men zal het noemen: gebied der
goddeloosheid, en: het volk waarop de HERE voor eeuwig toornt.
5
Als uw ogen het zien, zult gij zeggen: Groot is de HERE, ook
buiten Israels gebied.
In deze tekst zien we hoe de Israelieten tegen God spreken en zich
afvragen hoe God hen heeft liefgehad? Als we dan naar het antwoord
kijken zien we hoe God hen heeft liefgehad.
Zij waren door God verkozen als Zijn volk en daarin had God Zijn
liefde laten zien aan Israel.
God had Jacob (Israel) verkozen boven Esau (de Heidenen) en dat was
het soevereine recht van God. God had en heeft dit recht als God.
Laten we nog even teruggaan naar woorden die we eerder hebben
besproken.
We lazen in Rom. 9: 24- 25: “En dat zijn wij, die Hij geroepen
heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen, 25
gelijk Hij ook bij Hosea zegt: Ik zal niet-mijn-volk noemen:
mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde”.
Dit zijn zeer belangrijke woorden als we denken aan “Jacob (Israel)
heb ik liefgehad en Esau (de Heidenen) heb ik gehaat”
Maar nu lezen we ook dat zijn “niet-geliefde” zijn “geliefde”
geworden is.
Dus wat niet geliefd was door God was nu ook in het evangelie van
Christus geliefd geworden.
Conclusie:
Wat dit alles betekent is dat God de Joden had verkozen door Zijn
eigen raad en plan.
De Heidenen waren niet Zijn verbondsvolk, maar in Christus is er
hoop voor de Jood en de Heiden.
Want wat niet geliefd was is onder Christus ook geliefd in Hem.
Als laatste: In het geval dat Romeinen 9 vers 13 over individuele
verkiezing zou spreken geeft vers 25 aan dat deze verkiezing
veranderde van “niet geliefd” in “geliefd”.
Dus dat zou betekenen dat God iets niet lief kan hebben en dat op
een later moment wel liefkrijgt.