Webbijbel

Gert-Jan Van Zanten

 



Het boek van Efeze : Hoofdstuk
3


Ef. 3: 1- 14

HET GEHEIMENIS GEOPENBAARD

Vers 1 Waar was Paulus toen hij deze brief schreef?.......................................................................

Vers 2 De bediening van Paulus was met het oog op wie gegeven?......

.................................................................................................................................................................

Vers 3 Het geheimenis was aan Paulus door..............................bekend gemaakt.

Had Paulus al in het begin van zijn brief over dit geheimenis geschreven?

Vers 4 Hoe konden zij een begrip vormen van zijn inzicht in het geheimenis van Christus?................................................................................

2 Tim. 3: 14- 17 Wat kunnen de heilige schriften voor ons doen?

1 Kor. 4: 6 Wat moeten wij leren niet te doen?................................................................................

................................................................................................................................................................

Openb. 20: 11- 15 Zullen wij door het geschreven woord geoordeeld worden?

Vers 5 Was het geheimenis aan vroegere geslachten bekend gemaakt?...................................

Door wie is dit geheimenis nu bekend gemaakt?.............................................................................

Aan wie werd het geopenbaard?......................................verg. Ef. 2: 20

Vers 6 Wat is het geheimenis?...........................................................................................................

Waardoor worden de heidenen mede-erfgenamen met Joodse Christenen?..........................................................................................................................................

Vers 7 In verband met het brengen van het evangelie noemde Paulus zich een..........................................................................................................................................................

Vers 8 Wat mocht Paulus aan de heidenen verkondigen?................... ....................................................................................................................

Vers 9 Kunnen wij uit dit vers halen, dat God zelf wist wat Hij zou doen ter wille van de heidenen?..............................................................................................................................................

Vers 10 Wat wordt er door middel van de gemeente bekend ge-maakt?...................................

Vers 11 Dit grote doel voor de gemeente was volgens het.............................................................
voornemen van God in Christus.

Betekent dit, dat God zelfs voor de zonde van Adam een verlossingsplan had, dat zou gelden
voor alle naties?...................................................................................................................................

Vers 12 Door het geloof in Christus hebben wij nu de....................................................................

(tot de Vader) en de .........................................(van gebed en vertrouwen)

Vers 13 Daarom moesten ze de.............................niet opgeven in verband met de
gevangenschap (verdrukkingen) van Paulus.

Ef. 3: 14- 21 GODDELIJKE KRACHT.

Vers 14- 16 Paulus bad, dat in de God hen zou sterken door de kracht van zijn.......................
in de ....................................mens.

Hand. 2: 38 Wordt de Geest gegeven aan allen, die Bijbels gedoopt zijn?

1 Kor. 6: 19, 20 Woont de Geest in iedere Christen?.....................................................................

Let op: Vers 16 geeft het doel van de inwonende Geest!

Vers 17 Hoe maakt Christus woning in ons hart?...........................................................................

................................................................................................................................................................

Kol. 3: 16 Wat moet ook in ons hart wonen?....................................................................................

Wij behoren geworteld en gegrond te worden in de........................................................................

.................................................................................................................................................................

Vers 18, 19 Wat kunnen wij dan vatten?..........................................................................................

................................................................................................................................................................

Wij kunnen dan vervuld worden tot alle.......................................Gods.

(Let op het woord "volheid" in deze brief.)

Vers 20 God is machtig om meer te doen dan wij...........................................................................

................................................................................................................................................................

Vers 21 Bespreek: Hoe kunnen wij God in zijn gemeente verheerlijken?

Vorige                                                                                                                                          hoofdstuk 4