Een antwoord
op Psalm 37
Als we kijken naar de tekst van Psalm 37 vinden we de woorden:
Psa 37: 29 De rechtvaardigen beërven het land en wonen daarin voor immer.
Deze woorden worden door de groep van de Jehova Getuigen gebruikt om
te leren dat 1) deze aarde eeuwig zal blijven bestaan en 2) dat de
rechtvaardigen in de opstanding op de huidige aarde zullen blijven
wonen.
In dit schrijven willen we deze gedachte overdenken.
In de eerste plaats willen we kijken door wie deze Psalm is
geschreven, in welke tijd deze Psalm is geschreven en waar deze
Psalm over spreekt.
In de tweede plaats willen we kijken naar het oude testament en
kijken hoe de woorden “het beërven van het land” gebruikt worden.
We willen nadenken over wat God verder schrijft over deze huidige
aarde, verder zullen we stilstaan om te zien wat Petrus over de
huidigeaarde heeft geschreven.
Daarna zullen we besluiten met wat concluderende gedachten.
1. Wat woorden over deze Psalm 37.
Als we kijken naar wie deze Psalm heeft geschreven dan kunnen we aan
vers één zien wie dat was. De schrijver van deze Psalm is David.
In deze Psalm zien we hoe David een contrast beschrijft tussen een
rechtvaardige en een onrechtvaardige. De rechtvaardige zou het land
beërven maar de onrechtvaardige zou afgesneden worden.
Zo lezen we in vers één, dat de rechtvaardige niet afgunstig moet
zijn op de bedrijvers der ongerechtigheid en dat de rechtvaardige
niet moet benijden hem die onrecht plegen want deze zullen verdorren
zo snel als het gras en verwelken als het groene kruid.
De gelovige wordt opgeroepen om te vertrouwen op God, om zichzelf in
de Here te verlustigen om zijn weg op de Here te wentelen want de
Here zal het maken.
Rechtvaardigen houden zich van het verkeerde en richtte zichzelf op
Hem die het ware leven is.
De rechtvaardige zal het land beërven en zich verlustigen in de
grote vrede.
Dat is de belofte die God geeft aan hen die werkelijk voor Hem
leven.
En zo is de hele Psalm een beeld, een contrast, tussen de
rechtvaardige en de onrechtvaardige.
David, de schrijver van deze psalm, laat dan ook zien dat in een
rechtvaardig leven een land beërft word. Deze gedachte komt een
aantal keer voor in deze Psalm, vers 11, vers 18, vers 22, vers 29
en vers 34.
Wat houd dit principe precies in? Om hier een antwoord op te vinden
gaan we naar het begin van de Bijbel om te laten zien hoe “het
beërven van het land” gebruikt word.
2.
Abraham en de beloften aan hem gegeven.
Als we
nadenken over het principe “het beërven van het land”, gaan we terug
naar de tijd van Abraham.
Abraham kreeg een drievoudige belofte in Genesis hoofdstuk 12, als
we dan verder lezen in het 13de hoofdstuk zien we
specifieke woorden aangaande de “land-belofte”.
Gen 13: 12 Abram bleef
wonen in het land Kanaan en Lot vestigde zich in de steden van de
Streek, en sloeg zijn tenten op tot bij Sodom.
Gen 13: 13 De mannen van
Sodom nu waren zeer slecht en zondig tegenover de Here.
Gen 13: 14 En de Here
zeide tot Abram, nadat Lot zich van hem gescheiden had: Sla toch uw
ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt, naar het noorden,
zuiden, oosten en westen,
Gen 13: 15
want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u
en uw nageslacht voor altoos geven.
Gen 13: 16 En Ik zal uw
nageslacht maken als het stof der
aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zou kunnen tellen,
ook uw nageslacht te tellen zou zijn.
Gen 13: 17 Sta op,
doorwandel het land in zijn lengte en breedte, want u zal Ik het
geven.
Gen 17: 5 en gij zult
niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat
Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb.
Gen 17: 6 Ik zal u
uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen
zullen uit u voortkomen.
Gen 17: 7 Ik zal mijn
verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun
geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een
God te zijn.
Gen 17: 8
Ik zal aan u en uw nageslacht het land,
waarin gij als vreemdeling vertoeft het ganse land Kanaan, tot een
altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een God
zijn.
Aan deze beide teksten ontlenen we dat Abraham een groot volk zou
voortbrengen die een land zouden beërven, het land Kanaän, als een
altoos durende bezitting.
Dit was het plan van God dat Hij te kennen gaf aan Abraham, Zijn
plan aangaande de nakomelingen van Abraham.
We zien in Genesis hoofdstuk 12 dat Abraham geroepen word om naar
dit land Kanaän te gaan om daar als vreemdeling te vertoeven, maar
zijn nakomelingen zouden dit land als een bezitting beërven.
Het zou een altoos durende bezitting zijn.
Aan deze woorden zien we dat God een duidelijk vooropgezet plan had
met de nakomelingen van Abraham, ze zouden een land beërven en
zouden dit krijgen als een eeuwige bezitting.
3. Woorden aan en door Mozes aangaande deze belofte.
Als we deze gedachten van “het beërven van het land” verder
overdenken zien we deze woorden weer teruggekomen in de andere vier
boeken van Mozes, laten we bij die woorden ook stilstaan.
A.
God hoorde het volk en leidde hen door Mozes.
Exo 6: 3
Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God de
Almachtige, maar met mijn naam Here ben Ik hun niet bekend geweest.
Exo 6: 4
Niet alleen heb Ik mijn verbond met
hen opgericht om hun het land Kanaan te geven, het land hunner
vreemdelingschap, waar zij als vreemdelingen vertoefd
hebben;
Exo 6: 5
maar ook heb Ik de klacht der Israelieten gehoord, die door
de Egyptenaren tot slaven gemaakt zijn, en Ik heb gedacht aan mijn
verbond.
Exo 6: 6
Zeg derhalve tot de Israelieten: Ik ben de Here, Ik zal u
onder de dwangarbeid der Egyptenaren uitleiden, u redden van hun
slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en onder zware
gerichten.
Exo 6: 7
Ik zal Mij u tot een volk aannemen en Ik zal u tot een God
zijn, opdat gij weet, dat Ik, de Here, uw God, het ben, die u onder
de dwangarbeid der Egyptenaren uitleid.
Exo 6: 8
En Ik zal u brengen naar het land,
waarvan Ik gezworen heb het aan Abraham, Isaak en Jakob te zullen
geven, en Ik zal het u geven tot een bezitting, Ik de
Here.
Zie ook:
-Ex. 13: 11
-Ex. 33: 1
In bovenstaande woorden zien we dat God het geroep had gehoord van
de Israëlieten, die in Egypte tot slaven waren gemaakt, en er staat
geschreven: “ik heb gedacht aan mijn verbond”, dit is het verbond
dat God maakte met Abraham. We zien dan verder, als we kijken naar
Ex. 6: 8, “En
Ik zal u brengen naar het land, waarvan Ik gezworen heb het aan
Abraham, Isaak en Jakob te zullen geven, en Ik zal het u geven tot
een bezitting”.
Dit zijn woorden Gods, die het volk zou gaan leiden naar het land
Israel, om dat land als een altoosdurende bezitting zou geven.
God is een God van verbond, en het verbond wat God maakte met
Abraham, is Hij gaan uitvoeren door Mozes, zijn knecht. Het volk
werd geleid naar het land vloeiende van melk en honing, om dit te
bezitten als een altoosdurende bezitting.
B.
Het land werd gegeven en niemand anders zou dit land bezitten.
Exo 34: 23
Driemaal in het jaar zal ieder van u, die van het mannelijk
geslacht is, voor het aangezicht van de Here Here, de God van
Israel, verschijnen,
Exo 34: 24
want Ik zal volken voor uw aangezicht verdrijven en uw gebied ruim
maken; en niemand zal uw land begeren,
wanneer gij opgaat, om voor het aangezicht van de Here, uw God, te
verschijnen driemaal in het jaar.
Lev 14: 34
Wanneer gij komt in het land Kanaan, dat Ik
u ten bezit geef, en Ik de plaag der melaatsheid doe
ontstaan in een huis in het land dat gij bezit,
Lev 20: 24
Maar tot u zeide Ik: gij zult hun land in
bezit nemen en Ik zal het u geven om het te bezitten, een
land vloeiende van melk en honig; Ik ben de Here, uw God, die u van
de andere volken heb afgezonderd.
Vergelijk ook:
-Numeri 14: 16, 23, 30
Als we de woorden van Exodus hoofdstuk 34 vers 23 en 24 overdenken
dan zien we dat dit land door niemand anders begeert zou worden dan
door de Israëlieten alleen.
God zou het aan hen geven om het te bezitten. Het was voor hen
alleen.
C.
De zekerheid van deze belofte.
Num 32: 31 Toen
antwoordden de Gadieten en de Rubenieten: Wat de Here tot uw
knechten gesproken heeft, zullen wij doen.
Num 32: 32
Wijzelf zullen, toegerust, voor het aangezicht des Heren overtrekken
naar het land Kanaan, maar voor ons zal de
erfelijke bezitting aan de overzijde van de Jordaan zijn.
Vergelijk ook:
-Numeri 33: 53, 54
-Numeri 34: 2
Deu 11: 21
opdat gij en uw kinderen in het land,
waarvan de Here uw vaderen gezworen heeft, dat Hij het hun zou
geven, zo lang leeft, als de hemel boven de aarde staat.
Met de woorden van de tekst uit Deuteronomium hoofdstuk 11 vers 21
zien we de getuigenis van God aangaande deze belofte, er was een
zekerheid verbonden aan deze belofte. We kennen een God die niet
liegen kan, en deze God gaf te kennen door de woorden van Mozes dat
deze belofte volbracht zou woorden zolang de hemel boven de aarde
blijft staan.
D.
Het erfdeel.
Deu 25: 19 Als dan de
Here, uw God, u rust gegeven heeft van al de vijanden rondom u in
het land, dat de Here, uw God, u ten
erfdeel geven zal om het te bezitten, dan zult gij de
herinnering aan Amalek onder de hemel uitwissen; vergeet het niet.
Vergelijk:
-Deut. 26: 1
-Deut. 31: 20
-Jozua 1: 6; 11: 23
-Richteren 2: 1
Het land dat gegeven zou worden werd ook wel het erfdeel voor Israel
genoemd.
Zo vinden we in verschillende bewoordingen dat het land alleen voor
Israel was, het was hun gegeven, het werd hun altoosdurende
bezitting.
E.
Het gehele land is gegeven.
Jos 21: 43
Zo heeft de Here aan Israel het
gehele land gegeven, dat Hij gezworen had hun vaderen te zullen
geven; zij namen het in bezit en gingen er wonen.
Jos 21: 44 En de Here
gaf hun aan alle zijden rust, geheel zoals Hij hun vaderen gezworen
had; niet een van al hun vijanden heeft voor hen kunnen standhouden;
al hun vijanden gaf de Here in hun macht.
Jos 21: 45 Niet een van
alle goede beloften, die de Here aan het huis van Israel had
toegezegd, is onvervuld gebleven; alles is uitgekomen.
In deze woorden, gegeven tot ons door het boek Jozua, zien we dat
God het land heeft gegeven, dat gezworen was aan hun vaderen. Zij
namen het in bezit en gingen er wonen. Deze woorden laten heel
duidelijk zien dat God zijn belofte aan Abraham heeft vervuld
aangaande het land.
F.
Het was een land waar het aan niets ontbrak.
Rch 18: 10
Als gij daar komt, komt gij bij een in gerustheid levend volk, en
het land biedt naar alle zijden ruimte. Voorwaar, God heeft het in
uw macht gegeven; het is een oord, waar aan
niets ter wereld gebrek is.
Vergelijk ook:
-Psalm 65: 9- 13
-Psalm 72: 16
Het land dat zij in bezit namen was een land waar aan niets gebrek
was.
God had goed voor hen gezorgd, God had hen geleid vanuit Egypte, het
land van slavernij, en had hem gebracht in het land vloeiende van
melk en van honing. God had werkelijk hun het beste gegeven.
Het was een land waar aan niets gebrek was.
G.
Israel zou het land voor altijd bezitten.
2 Ko 21: 8
Ik zal Israels voet niet meer doen
wijken van het land dat Ik aan hun vaderen gegeven heb,
indien zij slechts naarstig doen naar al wat Ik hun geboden heb, en
naar de gehele wet, die mijn knecht Mozes hun geboden heeft.
2 Kr 7: 19
Maar indien gij u afkeert en mijn inzettingen
en verordeningen die Ik u voorgehouden heb, verlaat, andere goden
gaat dienen en u voor hen nederbuigt,
2 Kr 7: 20
dan zal Ik hen uitrukken uit mijn land dat Ik hun gegeven heb;
dit huis dat Ik aan mijn naam geheiligd heb, zal Ik dan van mijn
aangezicht wegwerpen, en Ik zal het tot een spreekwoord en een
spotrede onder alle volken maken.
Jes 34: 17 Hij toch
wierp het lot voor hen, en zijn hand deelde hun het land toe met het
meetsnoer; voor altijd zullen zij het
bezitten, van geslacht tot geslacht daarin wonen.
Jer 7: 5 Neen, als gij
werkelijk uw handel en wandel betert, als gij werkelijk onder
elkander recht doet,
Jer 7: 6 vreemdeling,
wees en weduwe niet verdrukt, geen onschuldig bloed vergiet op deze
plaats en andere goden niet achternaloopt, u tot onheil,
Jer 7: 7
dan wil Ik u op deze plaats, in het
land dat Ik aan uw vaderen gegeven heb, laten wonen van eeuw tot
eeuw.
Vergelijk ook:
-2 Kron. 33: 8
-Nehemia 9: 8
Door bovenstaande teksten leren we dat God had bedoeld dat het land
altijd in hun bezit zou blijven, hij zou Israëls voet niet meer doen
wijken van het land, ze zouden het voor altijd bezitten en van
geslacht op geslacht daar in wonen en hij zou hun daar laten wonen
van eeuw tot eeuw.
Dit waren de gedachten van God, een verbond gemaakt met Abraham en
vervuld in de kinderen van Abraham.
God had beloofd, God heeft volbracht door hen een plaats te geven,
het land Kanaän in al zijn glorie, het land vloeiende van melk en
van honing.
Natuurlijk weten we dat het volk, door zonde en schuld, uit het land
is verwijderd, maar dit was niet God originele gedachte over het
volk en het land.
Het was in eerste instantie een altoosdurende bezitting voor hen
geworden, als gegeven door God.
H.
De onheilige zou geen plaats hebben in het land.
Psa 140: 11
De kwaadspreker moge niet bestaan in het
land, het onheil vange ijlings de man van het geweld.
Vergelijk ook:
-Spreuken 2: 21, 22
God had het altijd bedoeld dat alle kwaadsprekers niet mocht een
bestaan in het land, de onheilige zouden niet een plaats hebben in
het land.
Dit was de wil van God. Wetten zijn gegeven in de boeken van Mozes,
zodat het land vrij zou blijven van de schuldige. (Hebr. 10: 28)
Zo zou dit volk een volk Gode ten ere worden, en de rechtvaardige
zou het als een altoosdurende bezitting bezitten.
I.
De rechtvaardige zou een plaats hebben in het land.
Spr 2: 21
Want de oprechten zullen het land
bewonen en de vromen zullen daarin overblijven,
Spr 2: 22 maar de
goddelozen zullen uit het land worden uitgeroeid en de trouwelozen
zullen eruit worden weggerukt.
Dan zien we ook dat juist de rechtvaardige het land zou bewonen en
dit zou beërven.
Als we al deze dingen overdenken dan zien we dat God een land
beloofd had aan Abraham, God heeft deze belofte volbracht.
Hij heeft de Israëlieten het land gegeven als een eeuwige bezitting.
En zo zien we dat als David de belofte geeft in Psalm 37 dat de
rechtvaardige het land zou beërven, dat gij spreekt in relatie tot
de beloften gegeven aan Abraham.
Als David spreekt in deze Psalm dan heeft hij het niet over de
uiteindelijke bestemming van de rechtvaardige, de hemel, maar over
de aardse zegening om een plaats te hebben in het land en daar in
alle rust te mogen wonen.
Als we nadenken over alle woorden, die door God tot ons gekomen
zijn, aangaande het beërven van het land zien we een beeld ontstaan
dat God een land-belofte heeft gegeven aan Abraham, deze is gaan
bewerken door Zijn knecht Mozes en gegeven is aan het volk onder
leiderschap van Jozua.
Deze belofte was een belofte die gegeven is aan het volk, niet als
een tijdelijke gave, maar als een eeuwige gave. Het volk is niet
trouw gebleven aan de beloften van God en God heeft hen uit het land
verwijderd.
Maar, het was Gods originele plan om hen dit land als een bezitting
te geven voor altijd.
4. De huidige aarde blijft niet altijd bestaan.
Als we nadenken over de huidige aarde zien we getuigenis dat deze
niet altijd blijft bestaan.
Gen 8:22 Voortaan
zullen, zolang de aarde bestaat,
zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht,
niet ophouden.
Psa 102: 25 Gij hebt
voormaals de aarde gegrondvest, en de hemel is het werk uwer handen;
Psa 102: 26
die zullen vergaan, maar Gij
houdt stand, zij alle zullen verslijten als een kleed, Gij
verwisselt ze als een gewaad, en zij verdwijnen;
Psa 102: 27 maar Gij
blijft dezelfde, aan uw jaren komt geen einde.
2 Petrus 3
2 Pe 3: 10 Maar de dag
des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen
met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen
en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen
verbranden.
2 Pe 3: 11 Dewijl dan
deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen
wandel en godzaligheid!
2 Pe 3: 12 Verwachtende
en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen,
door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen
brandende zullen versmelten.
2 Pe 3: 13
Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe
aarde, in dewelke gerechtigheid woont.
2 Pe 3: 14 Daarom,
geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigt u, dat gij
onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede;
Openb 20: 11 En ik zag
een grote witte troon en Hem, die daarop gezeten was, voor wiens
aangezicht de aarde en de hemel vluchtten, en geen plaats werd voor
hen gevonden.
Als we naar de Bijbel kijken geven beide, het oude en het nieuwe
Testament getuigenis dat deze huidige aarde zal vergaan.
Vanuit de tekst uit Petrus zien we wat de toekomst is voor de
huidige hemel en de aarde.
1. Ze zullen met gedruis voorbijgaan.
2. De elementen zullen branden en vergaan.
3. De aarde en de werken zullen verbranden.
4. Wij verwachten een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Vergelijk ook:
-Openb. 21- 22
Al deze dingen doen ons bezien dat we ten allen tijde goed naar de
context van woorden moeten kijken, zodat we een zuiver beeld krijgen
van hetgeen waar over gesproken word.
5.
Wat schreef Paulus over de huidige aarde?
We lezen in de brief aan de Romeinen het volgende.
Rom. 8: 20- 22
20 Want de schepping is
aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om de wil
van Hem, die haar daaraan onderworpen heeft,
21 in hope echter, omdat
ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid
zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen
Gods.
22 Want wij weten, dat
tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in
barensnood is.
Hier zien we dat de gehele schepping (en dit is ook de huidige
aarde) in barensnood is.
De aarde is vervuild en beinvloed door de zonde.
Deze schepping (ook de huidige aarde) wacht op bevrijding.
Dus de aarde is ook niet zoals het altijd geweest is. De aarde is nu
bevlekt door de zonde sinds de dagen van de zonde van Adam en Eva.
In het baren word er leven gegeven aan iets anders. De nieuwe hemel
en de nieuwe aarde.
Vers 25 zegt dan ook dat we
iets verwachten wat we niet kunnen zien. Dit zijn belangrijke
woorden.
Rom 8: 24 Want in die
hoop zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop,
want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet?
Rom 8: 25
Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet
zien, verwachten wij het met volharding.
Als de aarde de eeuwige woonplaats zou zijn voor de rechtvaardigen,
dan hebben we een erfenis die we kunnen zien, maar Christenen hopen
op wat ze niet kunnen zien.
Deze aarde kan gezien worden, maar wij krijgen iets dat niet gezien
kan worden.
Openb. 21: 1 En ik zag
een nieuwen hemel en een nieuwe aarde;
want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan,
en de zee was niet meer.
1. De “eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan”.
2. De zee was niet meer.
Als we nadenken over deze woorden zien we dat de eerste hemel en
aarde zouden voorbijgaan.
Dit is hetgeen dat God gaat doen met de huidige aarde, zij zal
verdwijnen.
6. Is er misschien een diepere betekenis aan de woorden van Psalm
37?
Als we nadenken over de woorden van Psalm 37 zullen sommigen zich
ook afvragen, ja natuurlijk heeft deze Psalm te maken met de
beloften Gods door Abraham gegeven, maar kan er ook geen diepere
betekenis inzitten?
Op die vraag kunnen we zeker ja antwoorden.
Alle getrouwen van het oude verbond en van het nieuw verbond hebben
de beloften van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Vanuit die gedachte mogen we zeker stellen dat er een diepere
betekenis is aan het beerven de de aarde.
Zoals alles een schaduw was in het oude verbond, vinden we de
werkelijkheid in het nieuwe verbond met al haar beloften.
We lezen bijvoorbeeld over de Sabbat in Hebreeën, zo is de Sabbat
een beeld van de eeuwige rust die gelovigen zullen ingaan bij de
wederkomst van Christus. (Hebr. 4: 1- 9)
7. Twee Hebreeuwse woorden.
In het oude Testament zijn twee woorden uit welke woorden zoals
eeuwig, altoos, immer etc. zijn vertaald.
Deze twee woorden zijn
1) lange duur, oudheid, toekomstigheid, voor altijd, ooit,
altijddurend eeuwig, vanouds, oud, wereld
1a) oudtijds, lange tijd (in het verleden)
1b) (van toekomst)
1b1) voor altijd, immer
1b2) voortdurend bestaan, eeuwig
1b3) altijddurend, niet-eindigende toekomst, eeuwigheid.
Ad: (woordnummer 5703)
1) eeuwigheid, voor altijd, voortdurende toekomst
1a) vanouds (van vervlogen tijden)
1b) voor altijd (van toekomst)
1b1) van voortdurend bestaan
1c) voor eeuwig (van Gods bestaan)
Beide woorden worden gebruikt om het begrip “eeuwig” etc. weer te
geven.
Nu is het belangrijk om iets van deze woorden te begrijpen.
1. Vergelijk dat eens met
de wet van de Sabbat:
Exo 31:16 Dat dan de
kinderen Israels den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hun
geslachten, tot
een eeuwig verbond.
De wet van de Sabbat was een eeuwig verbond, maar we weten ook dat
deze wet opgehouden is te bestaan. Toen het nieuwe verbond van
Christus is gekomen, heeft de wet van de Sabbat afgedaan. (Rom. 14:
5- 6; 2 Kor. 3; Koll. 2: 13- 17)
2. Vergelijk dat met de
offeranden van het oude verbond.
Num 18:19 Alle
hefofferen der heilige dingen, die de kinderen Israels den HEERE
zullen offeren, heb Ik aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw
dochteren met u, tot een eeuwige inzetting;
het zal een eeuwig zoutverbond zijn, voor het aangezicht des HEEREN,
voor u en voor uw zaad met u.
Exo 28: 43 Aaron en zijn
zonen zullen die dragen, wanneer zij komen naar de tent der
samenkomst of wanneer zij naderen tot het altaar, om dienst te doen
in het heiligdom, opdat zij geen ongerechtigheid op zich laden en
sterven. Het is een altoosdurende inzetting
voor hem en voor zijn nakomelingschap.
Ook hier het woord “eeuwig”, altoosdurend.
(5769)
We weten dat de offeranden van het oude verbond totaal en compleet
zijn gestopt in Christus, Hij is de vervulling van de wet en met het
ene en ware offer van Christus is aan al het offeren een einde
gekomen. (Hebr. 7- 10)
Zo zien we dat beide woorden altijd in de juiste context gelezen
moeten worden. Zo leren we dat het woord “eeuwig” in bepaalde
teksten de betekenis draagt van een door God bepaalde tijd.
En zo komen we principes tegen in het oude Testament die schrijven
over zaken die voor eeuwig zijn, maar we begrijpen uit de grotere
context vandaan, dat deze dingen een tijdslimiet hadden.
Zo lezen we ook over de aarde die voor eeuwig of voor altoos blijft
bestaan.
Maar we zien door verschillende voorbeelden dat het woord eeuwig
gebruikt word om een bepaalde tijd, die bij God alleen bekend is,
aan te geven.
Zo zien we dat er geen bewijs is in het woord van God dat deze
huidige aarde zal blijven bestaan, de huidige aarde is bewaard tot
de dag van het vuur.
God zal deze huidige aarde verwoesten door vuur en dan zal er plaats
gemaakt worden voor een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Zelfs de Jehova Getuigen zelf getuigen van de betekenis van het
Hebreeuwse woord Olam, er word geschreven:
Het Hebreeuwse woord Olam en het Griekse equivalent aionios kunnen
eeuwig betekenen in de zin dat iets nooit eindigt (of ze kunnen
betekenen dat iets tot een onbepaalde toekomstige tijd voortduurt)
(Wachttoren 1 December 1980, blz 31)
Broeder en zuster, vriend en kennis, onderzoek alle dingen en behoud
het goede.
![]()